Film - Rabot, geen leven in de toren

Hoe beginnen ? Met een anecdote. Vorige zaterdag sta ik bij slager Olbrechts in de Lakensestraat voor varkenshaas en wat spek. Aan het eind van de straat passeert de anti-racismebetoging. Terwijl de slager het vlees inpakt, stapt er een bereden flik van de Brusselse politie binnen, herkenbaar aan zijn roodfluo helm en helblauw motorvest. Er ontspint zich een gesprek tussen de motorrijder en de zoon van de slager.

De zoon : Wat is er gaande ? - De flik : Het is betoging - Voor wat ? - Tegen racisme - Meuge we nie racistisch meer zijn... Ik besta dan niet meer voor die twee. Voor mij hoeven ze trouwens niet op hun woorden te letten. Ik ben onverdacht want wit en Vlaams. Al in het deurgat hoor ik nog : we zullen weer moeten betalen, zeker... 

Vier dagen eerder verzamelen een kleine 100 huurders van de 5 blokken in de sportzaal van de Papenvest. Hun huisbaas, de Brusselse Woning, vertelt dat de sloop van de woonblokken in 2022 begint, anderhalf jaar later dan tot dan was geweten. Na afloop spreek ik Pluche aan (ze wacht op een gesprek bij een sociaal assistente). Ze klaagt niet gauw, maar nu klaagt ze steen en been. Ze is alleen, haar gezondheid was al slecht en nu slibben de aders van haar benen dicht, ze kan amper voort, ze woont op de zevende verdieping, ze heeft niemand om haar te helpen. Verhuizen ? Pluche ziet het niet meer zitten : ik smijt me naar beneden ! 

In de film Rabot hoor je dat zich daar minstens drie mensen van kant hebben gemaakt. Komt het door de sloop van die woontorens ? Waarschijnlijk is er geen verband. Maar evengoed hebben drie bewoners er uit wanhoop een eind aan gemaakt. Het moet er ooit goed leven geweest zijn. Maar nu niet meer. Nu is Rabot getto. Dat komt door de Moren (!) en de vreemden. Vroeger stonden de deuren open, nu praat niemand nog met elkaar.

Als mensen toch eens kletsen, dan doen ze dat buiten op de trap. Daar zegt op een gegeven moment een vent : die nieuwen komen hier aan en krijgen alles, terwijl wij ons hele leven hebben afgedragen en op ons knieën moeten smeken voor een aalmoes... Een vrouw weet over een ander dat haar kot stinkt. En zo nog wel wat. Kletspraat, geroddel en niemand valt uit zijn rol : niet de slager, niet de flik, niet de vent, niet het oud vel. Weinig mensen gaan op la place publique in een publiek gesprek tegen de hoofdmoot in. U voegen naar de consensus, vraagt stukken minder moeite. De consensus zanikt, wie er niet meer tegen kan, zegt : ik trek mijn deur toe en zet de tv aan.

Boven een lift heeft iemand geschreven : vuile stinkende (onleesbaar) Belg. Zo unaniem zijn ze nochtans niet. Want iemand (anders?) schreef daaronder : ik heb iedereen lief. Of het nu de vreemden betreft, of die van ons soorten, hier leeft volk van allerlei pluimage. Steek ze samen in een volière, en ze pikken malkander dood, zo begint de film. Wat daarna volgt, lijkt dat te beamen. Maar onder de agressie, onder de pantsers, onder de consensus en het conformisme zitten mensen die allemaal fragiel zijn. Bovendien : zouden ze hier niet wonen, dan nergens. Nergens anders zijn ze gewenst. Zie de junks : hij is vooraan in de 30 maar heeft al 8,5 jaar in de bak gezeten. Zie de dakloze die in oud ijzer doet. Het schoonste koppel, Freddy en Constance, is gemengd. Zij komt uit Ghana en houdt hem, die vroeg moet gaan werken, met haar immer voortrazende pieken en buien uit zijn slaap. Zij commandeert, god is de duivel, voor haar is bier een beter hulpmiddel dan god... Hoe blijft zo'n koppel bij elkaar ? En toch doet het dat.

De schaal van mensen die hier evolueren, is breed. Je hebt de ordentelijke mijnheer 123 (het nummer van zijn brievenbus), die op de letter spreekt en op zijn transistor naar Pergolesi luistert. Maar ook de dakloze die in oud ijzer doet en die ze hier in een flat hebben gestopt omdat mensen naar het schijnt een dak boven hun hoofd moeten hebben. En je hebt de vrouw die fluimt en elders is buitengesmeten omdat ze geen ordentelijkheid kan uitstaan. Je hebt de Turkse vrouw die nachten na elkaar naast haar bed de schim ontwaart van de man die zich te pletter heeft gesmeten. En Edward, Filippijns, die ook zo'n smak heeft beleefd, maar dat weg probeert te wissen, het zijn mijn zaken niet. Edward houdt konijnen, hij heeft er twee, Peanut & Butter, hij vindt dat goed gevonden.

Zijn al die mensen zo ? zo onbarmhartig en anti-sociaal ? Eéns staan ze daar weer, buiten op de trap, en er komt een bloot bovenlijf aangezwalpt, ladderzat want hoe hij ook probeert hij geraakt de trap niet op. Hun zaken niet ! En niemand, echt niemand bougeert

Al die vreemden zijn hier al lang. Ze spreken allemaal ingeburgerd Vlaams of Gents. Mimoun en Driss delen een flat, Mimoun heeft de ander bij zich in huis genomen, maar ze kijken elk in hun kamer naar hun eigen tv. Ik zou graag weten hoe dat allemaal komt, welke geschiedenissen die mensen hebben, welke bio's. Maar voor Rabot doet het niet ter zake. De scènes zeggen genoeg. Eén man - de enige die je echt buiten Rabot ziet, hij laat zijn hond uit - leeft met zijn dochtertje. Ik denk : hoe oud is hij al, terwijl dat kind geen tien jaar kan zijn. Haar moeder heeft zich (vermoedelijk) doodgedronken, dat spreekt uit zijn verdriet. Er wrong iets in haar, ze kreeg het niet de baas. Haar foto staat op een schrijntje, met wat kaarsjes ervoor. Hoe lopen al die levens. Je sais zingt een man, de stem is die van Jean Gabin. Je sais qu'on ne sait jamais. Iemand, wie ook weer, heeft zich die zin herinnerd. Onderschat dus nooit de gevoeligheid van mensen.
Hoe komt dat volk hier samen ? Vroeger waren dat hier allemaal werkende koppels. Nu moet je de koning der vuilaards zijn om hier te wonen. En wat is dat toch met vroeger en nu ? Is het hunker, is het onmacht ? We maken het onbereikbaar door het toen te leggen, buiten onze macht.

Rabot spint geen bio's uit. Nochtans zijn we daar benieuwd naar. De film houdt zich 2-3 jaar in Rabot op. Het wordt niet dik in de verf gezet, maar je ziet dat de tijd verstrijkt. Je ziet dat een man ineens alleen eet, maar vlak voor de feesten is zijn vrouw er weer, de vrouw met de psychosen. Je ziet de gevel van de toren die min of meer gaaf is, maar dan is er in één van de flats een uitslaande brand geweest. De maakster kent de verhalen maar waarom spint ze ze niet, waarom houdt ze de bio's voor zich ? Om juist niet aan onze nieuwsgierigheid tegemoet te komen ? Of, omdat ze hier een geatomizeerde groep aantreft, zonder contact, elk in zijn/haar kot ? Daar past dan een revue bij van gevallen, elk met zijn of haar lot maar vooral zonder aanhankelijkheid. Dat is ook de keuze van de maakster. Maar loopt daar ook het echte leven zo ? 

Groot gemis aan Rabot : de film praat niet met jongeren. Er zit één jongen in die iets kan, hij speelt piano en zingt en zijn moeder (?) zingt mee. Maar voor de rest géén jongeren van dichtbij. Er staan er twee voor een lift te draaien. Maar ze blijven ver. Waren het bewoners ? bezoekers ? Hielden ze de camera af ? vluchtten ze ? vergaten ze de afspraak ? hulden ze zich in No Comment ?